Frenkie de Jong praat zoals hij voetbalt. Ongedwongen, avontuurlijk, zonder restricties. Een verademing. Afgelopen jaar is er veel op hem afgekomen. Zijn doorbraak in de hoofdmacht van Ajax, een maandenlange plek in de lappenmand, om vervolgens weer op te klimmen tot ongenaakbare basisspeler van de Amsterdammers én Oranje. Er gaat geen week voorbij of de blonde voetballer pronkt wel groot op de cover van één van de vele sportkranten. 'De eerste paar keer vond ik het wel bijzonder', zegt De Jong. 'Gewoon groot met een foto op de voorpagina van een Spaanse krant, dat was wel gaaf. Ik weet nog dat mijn opa zoals elk jaar op de camping stond aan de Costa Brava. Hij liep langs de kiosk en zag daar zijn kleinzoon op de voorpagina van allerlei kranten staan. Helemaal trots was hij, dat vond ik zo mooi.'

Een speler over wie iedereen inmiddels wel een mening heeft ook. 'Commentaren en meningen zijn prima, ook als het negatief is, heb ik echt totaal geen probleem mee. Alleen feitelijke fouten kunnen me storen. Dan hoor ik mensen op televisie roepen: "hij kan niet verdedigen" of "hij is niet snel". Gewoon niet waar. Bij de snelheidstesten ben ik de tweede van de hele selectie. En tijdens wedstrijden zie je niemand mij eruit lopen. En ook met het afpakken van ballen scoor ik volgens mij altijd een hoog gemiddelde.'

De Jong gaat graag dieper op zijn spel in. Hij is zelfkritisch, altijd geweest, en noemt in rap tempo wat zaken op die beter moeten: 'Mijn afstandsschoten moeten beter. Ik train er veel op, maar in wedstrijden moet ik dat meer en beter doen. In de zestien meter van de tegenstander moet ik rustiger zijn. Overal op het veld heb ik overzicht, maar daar moet dat nog meer in mijn spel komen. Ook kan ik nog meer en beter diepte pakken in mijn spel. Mijn lange pass is niet slecht, maar kan nog strakker. En ik kijk vaak kort om me heen, maar kan ook de steekpass over een grotere afstand meer gaan beheersen.'

De risicofactor in zijn spel noemt hij niet. Integendeel zelfs. 'Ik neem helemaal niet veel risico en lijd helemaal niet vaak balverlies. Dat beeld bestaat, maar voor mij voelt het niet als risico, maar als iets normaals. Het is onderdeel van mijn spel. Ik doe het mijn hele leven al. Sterker nog: ik ben gevormd en heb het profvoetbal gehaald omdat ik mijn eigen identiteit en spel had. Waarom moet ik nu dan opeens iets heel anders gaan doen en alles simpel gaan spelen? Dit is voor mij simpel. Als ik me ga aanpassen, ben ik hetzelfde als zo veel andere spelers. Je moet toch gewoon doen waar je goed in bent? Bij mij is dat doen wat mijn intuïtie me ingeeft.'

De middenvelder is een onafhankelijke denker en zelfbewust binnen de lijnen. Altijd al zo geweest. 'Hoe vaak we niet als ploeg in de jeugd te horen kregen van de trainers: "Simpel spelen, geen onnodige risico's." Vaak zei ik maar dat ik de trainer begreep en deed ik in het veld mijn eigen ding. Als het dan goed afliep, en dat deed het gelukkig vaak ook, dan hoorde je de trainer niet. Veel jeugdtrainers maken het voetbal veel te moeilijk en halen daarmee de vrijheid uit een speler. Dat twee keer raken, het kiezen voor zekerheid boven risico. Ik liet me nooit iets aanpraten, deed zoveel mogelijk op intuïtie. In Nederland is het positiespel heilig, maar volgens mij slaan we door in het positiespel om het positiespel. Balletjes breed, balletjes terug, om maar balbezit te houden. Ik houd van risico, van vooruit voetballen, en wil op een goede manier op avontuur gaan in een wedstrijd. Dat is wie ik ben als voetballer.'

Freek Jansen